Het failliet van een illusie: een beter functionerende cultuursector door invoering van de Governance Code Cultuur met het Raad van Toezicht-model

Zoals Pieter Couwenbergh en Hilda Bouma in hun artikel “Vogelvrij” in het Financieel Dagblad van 14 mei 2026 constateerden voelen steeds meer bestuurders bij musea en cultuurcentra zich onveilig.

Nu de eerste stofwolken na de rechterlijke uitspraak in de zaak Birgit Donker versus het Nationaal Fotomuseum zijn opgetrokken, is het zaak de aandacht te richten op de institutionele tekorten in de Governance Code Cultuur (GCC). Raden van toezicht beroepen zich helaas nog te vaak op hun werkgeverschap om de directeur/bestuurder af te serveren, monddood te maken en zichzelf daarmee aan iedere verantwoordelijkheid voor “gedoe” te onttrekken zónder er blijk van te geven hierbij de spelregels van de GCC in acht te hebben genomen.

Om enig inzicht te krijgen in de verschillende percepties op de validiteit van de Code kunnen twee zojuist verschenen documenten dienen, waarin op zeer verschillende wijze aangekeken wordt tegen de, ook door de minister en de Raad voor Cultuur, noodzakelijk geachte verbetering van het bestuur en toezicht in de culturele sector. De ene zienswijze wordt verwoord door Cultuur+Ondernemen (C-O), sinds jaar en dag beheerder van de Code, die zich als primair belanghebbende richt op een voortdurende aanpassing van de regels voor goed bestuur en toezicht. Deze instelling heeft zojuist de nieuwe GCC gelanceerd die een update is van de voorafgaande versies en geen fundamenteel nieuwe inzichten bevat. Dat is wél het geval bij het white paper van Sjarel Ex, oud-directeur van Boijmans van Beuningen, en Jaap van Maanen, voormalig hoogleraar corporate governance en boardroom consultant, die als geïnteresseerde betrokkenen uit de culturele bestuurspraktijk hun oor te luisteren hebben gelegd bij die collega’s die al of niet aan den lijve het falen van de huidige praktijk hebben ervaren. Deze ervaringen komen slechts zelden naar buiten, en dan alleen in gevallen waarin verschillen van inzicht tussen bestuurder en RvT leiden tot nauwelijks of in het geheel niet beargumenteerd ontslag van de directeur van de kunstinstelling. Met name Ex, als ervaren artistiek/cultureel bestuurder, kreeg steeds meer berichten van verontruste vakgenoten die zich in de steek gelaten voelen door hun raad van toezicht. Zoals ook blijkt uit het bovengenoemde artikel in het FD. Situaties die ik uit eigen ervaring kan beamen en die wijzen op een ontstellend gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef bij vele individuele toezichthouders, subsidiënten en lokale bestuurders.

We kunnen er wel van uitgaan dat, zo de nieuwste versie van de GCC al gelezen wordt, dat beperkt blijft tot goedwillende directies en die leden van de raad van toezicht die zich realiseren dat ze de kennis missen die nodig is om op een voor hen branchevreemde organisatie toezicht te houden. Naast de omnipotente status van de toezichthouders die geen extra informatie nodig denken te hebben omdat zij alles al weten, anders waren zij immers niet gevraagd, komt de ideaaltypische toezichthouder zoals deze beschreven wordt in de Code vrijwel niet voor. Veelal worden leden van raden van toezicht geworven onder verdienstelijke personen uit het bedrijfsleven, uit advocatuur, accountancy en adviespraktijk. De leden met een achtergrond in kunst en cultuur of academia zijn in de minderheid. Hiermee zijn we beland in een praktijk waarbij het kennelijk volstrekt geaccepteerd is dat, zoals bij het zojuist veroordeelde Nederlands Fotomuseum het geval is, de RvT bestaat uit personen uit de top van het commerciële bedrijfsleven. Van de vier leden (stand 29/6) is er één zelf praktiserend fotograaf, de rest zou met gemak aan dezelfde tafel in een willekeurige boardroom kunnen zitten.

Hier wringt iets. Helaas lijkt het vanzelfsprekend te worden dat de toezichthouder zich gedraagt als eigenaar van het kunstbedrijf waarop toezicht gehouden moet worden. Wie zich als eigenaar beschouwt, gedraagt zich als eigenaar, dat is niet zo gek. Bij afwezigheid van aandeelhouders zoals in het bedrijfsleven, neem je als statutair werkgever van de directeur/bestuurder die taak er maar ongevraagd even bij. De statutaire bestuurder/directeur wordt dus, of hij/zij wil of niet, op de vingers gekeken door mensen die alles weten over groei, ondernemen en accountability. Daarmee hebben ze een glanzende carrière opgebouwd in het bedrijfsleven. Merkwaardig is dat het raadplegen van deskundigheid voor het leiden van de kunstinstelling door de directeur zelf, bijvoorbeeld door ervaren collega-directeuren of de huisaccountant om advies te vragen, als het ware a priori wordt gedubbeld in de RvT.

Is dit verschijnsel nieuw? Geenszins. In 2020 verscheen er een gedegen stuk in de Theaterkrant van de hand van Felix Welsink, masterstudent Behaviourial Economics aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In zijn stuk wijst Welsink op de in zijn ogen overheersende rol van de economische benadering van culturele uitingen. Hij betwijfelt of de GCC ertoe leidt dat culturele instellingen meer culturele waarde creëren en zo de sector sterker maken. Het gaat bij het toepassen van de GCC om het financieel en organisatorisch zelfstandig maken van culturele instellingen. Wensink concludeert: hiermee creëert de GCC een maat, een pasvorm waarbinnen de kunstinstelling en directie zich moeten gedragen.

Logisch dat deze tendens tot uniformering, standaardisering, geplande groei en voorspelbaar risico in de praktijk niet voorop staat op het wensenlijstje van een getalenteerd bestuurder/directeur. In tegenstelling tot succesvolle ondernemers streeft hij/zij naar unica waar pas na presentatie over te zeggen is of het in de ogen van de directie geslaagd is en waarom. De doorsnee ondernemer probeert zo snel mogelijk over te gaan tot serieproductie, zo mogelijk tot massaproductie, om de kosten laag en de opbrengsten zo hoog mogelijk te houden. Bovendien heeft hij/zij een goed oog voor marketing want succes is vraaggestuurd. Een goed kunstproduct, concept of idee is uit de aard van de zaak aanbodgestuurd, of en hoe dat in de samenleving landt is niet te voorspellen. Een kunstbedrijf is immers primair een mentaliteitsbedrijf dat uiteraard een slim management behoeft. De drang tot standaardisatie is begrijpelijk, maar gedoemd te mislukken. Mocht het erop lijken dat dat op een of ander onderdeel van de kunstpraktijk al lukt, dan blijkt al snel dat er geen consensus is bij de respectievelijke deelnemers aan het consortium; het maken van unica is immers niet te standaardiseren.

De poging van C-O om het geloof te doen postvatten dat nu eindelijk met een nieuwe catechismus bestuur en governance vlekkeloos gaat verlopen acht ik een illusie. Ik heb te veel geharmoniseerde en gestandaardiseerde tentoonstellingen, festivals, literatuur en podiumkunsten bijgewoond in de landen van de vml. Sovjet Unie om enig heil van steeds toenemende fijnmazige gebruiksaanwijzingen te verwachten. Overigens is ook dichter bij huis de ooit goed functionerende Dienst Kunstgebouwen (DGK) door de toenemende emancipatie van de Rotterdamse kunstinstellingen ter ziele gegaan. De minister zou er goed aan doen het white paper van Ex c.s. zorgvuldig te bestuderen, de fictie van het eigenaarschap en het werkgeverschap bij de RvT weg te halen en daarmee de existentiële artistieke (mensen)rechten voor de directie te waarborgen. Ook over het nu ontbrekende toezicht op het toezicht zeggen Ex en Van Maanen verstandige dingen.

Het is niet voor niets dat Sjarel Ex liet weten dat hij weliswaar verheugd is over de uitspraak over het onterechte ontslag van Birgit Donker maar ook zijn zorgen uit: “Ik ben blij met de uitspraak van de rechter maar bezorgd om het volgende: dit kan elke directeur/bestuurder in de kunst op dit moment overkomen; de toezichthouder die haar ontslag mede aanstichtte zit nu nog steeds op haar stoel … als bestuurder; de deelnemers aan de fluistercampagne kunnen zich collectief schamen, en alle financiers en zgn. steunverleners en ja, politici die wegkeken zouden bij zichzelf te rade moeten gaan.”

De Casus Nederlands Fotomuseum kan als hoogte- of dieptepunt toegevoegd worden aan het geanonimiseerde lijstje van Ex en Van Maanen. De oorverdovende bominslag die het vonnis van 29 juni jl. achterlaat in het geloof in papieren handleidingen voor goed bestuur kan haast niet groter. Hoog tijd om eindelijk afscheid te nemen van het idee dat beleid gemaakt, nagevolgd én afgedwongen kan worden op basis van een theoretische werkelijkheid gebaseerd op een gebruiksaanwijzing genaamd de Governance Code Cultuur. Zoals dat gebruikelijk is bij gebruiksaanwijzingen worden deze pas tevoorschijn gehaald, als ze al te vinden zijn, als het apparaat kapot is, in dit geval als er “signalen” zijn dat er iets niet deugt.

Als ik mijn eigen praktijk in de kunsten bekijk heb ik legio gevallen van mislopend bestuur en/of toezicht meegemaakt waarbij vooral van de zijde van toezichthouders volstrekt absurde acties werden ondernomen, c.q. oekazes werden uitgestort op bestuur en/of personeel alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. (Dan mag de directeur/bestuurder zich nog gelukkig prijzen dat er geen anonieme brief is bezorgd die alle mogelijke vermeende wantoestanden signaleert die uiteraard het functioneren van de directie betreffen.) Al met al kan het geen kwaad het oog te richten op het “misbaksel” van de Governance Code Cultuur, dat de kunstwereld nu al bijna 30 jaar achter zich aansleept (een dood paard is er niets bij).

Euforie over de Code Tabaksblat voor de corporate world bracht sommigen, ook uit het gevestigde kunst-establishment, destijds op het idee zoiets ook voor de kunstwereld in het leven te roepen om dat rommelige allegaartje van groepjes, gezelschapjes, grote en kleine podia en musea “eindelijk” eens aan goed bestuur te helpen analoog aan “Tabaksblat” die immers overzicht in uniform toezicht op het bedrijfsleven leek te beloven. Dat het bedrijfsleven en kunstwereld nogal van elkaar verschillen in meer dan één opzicht leek geen bezwaar te zijn.

Glück Auf!

BESLISSERS VAN MORGEN

Interview Steve Austen met Donald Pols

een coproductie van Felix Meritis Connecting Cultures & Steve Austen ©

Een letterlijke neerslag van het tv-interview in de serie Beslissers van Morgen dat werd geproduceerd en uitgezonden door Kunstkanaal in co-productie met Stichting Felix Meritis in 2002.

“Globalisering is eigenlijk toevallig langsgekomen. Als anarchistisch collectief zijn we al enkele jaren, al vijf jaar, sinds ons ontstaan, bezig met het opbouwen van een solidaire samenleving. Gebaseerd op de vrijheid van het individu en verantwoordelijkheid voor elkaar, voor je omgeving, voor de samenleving en het milieu. En verzet tegen een specifieke vorm van globalisering is een gevolg van onze uitgangspunten. Omdat globalisering het gezag centraliseert in handen van een klein groepje mensen dat eigenlijk zo goed als geen beperking op hun macht heeft. Het centraliseert ook de financiële middelen bij een kleine groep mensen. Als dat nog ten goede aangewend zou zijn, dan had je er nog over kunnen discussiëren. Maar het wordt gebruikt om die kleine groep mensen ten koste van de meerderheid van de wereldbevolking en ten koste van het milieu uit te bouwen. En daar verzetten wij ons tegen. Maar het verzet is eigenlijk een gevolg van waar we al jaren mee bezig zijn.

En daarbij ook politieke globalisering. De economie is natuurlijk de financiële middelen die gecentraliseerd worden, maar ook de politieke macht wordt gecentraliseerd. Je ziet het ook uitwaaien over de hele samenleving. Ook cultuur wordt gecommercialiseerd, want de economie als deelaspect van de samenleving gaat de hele maatschappij domineren. Dus cultuur wordt niet meer iets waar mensen zich kunnen ontplooien en elkaar vermaken, maar het wordt iets waaruit je geld kan verdienen. En dat structureert de cultuur. Je zou bijna kunnen zeggen, het maakt de hele cultuur een groot Hollywood.

Ik heb niet het gevoel dat de globalisering van de economie en de politiek momenteel ten koste gaat van de cultuur en de culturele diversiteit. Want ik denk wel dat de mens de machtsfactor blijft. Het is niet dat wij de slachtoffers zijn van globalisering. Je ziet overal lokale initiatieven ontstaan, mensen die de macht en het initiatief naar zichzelf toetrekken. Ook in Den Haag zie je de Blauwe Aanslag, daar worden wekelijks concerten gegeven en theater gemaakt. Dus dat is het niet. Wat wel gebeurt, is dat de invloed van de culturele industrie doorsijpelt op de rest van de samenleving, en een bedreiging vormt daarvoor. Daar moet een dam tegen opgeworpen worden. Dat proberen we met onze activiteiten te doen. Enigszins door mensen bewust te maken van de gevolgen van culturele industrie, maar ook gewoon door voortdurend eigen initiatieven op te zetten. Die diversiteit die er zeker is, is niet het gevolg van de culturele industrie, maar het gevolg van het doorzettingsvermogen en de creativiteit van mensen. En dat krijg je er natuurlijk niet zomaar onder.

Ik denk dat de commercie, op het ogenblik dat zij een niche in de markt zien, probeert die niche te ontwikkelen. Dat zag je in Seattle eigenlijk. Je hebt het kledingmerk Gap. Veel demonstranten hadden het gemunt op Gap, omdat Gap kinderarbeid in India gebruikt. Kinderen werken daar onder erbarmelijke omstandigheden. Er waren in Seattle ramen ingegooid, het was echt een focuspunt voor veel protest. En de week na de demonstraties had Gap met spuitbussen op haar eigen ramen het woord ‘Protest’ geschreven. Dit om een beetje als voorbeeld te laten zien hoe de commercie iedere niche probeert te ontginnen, naar zich toe trekt. Dat zie je eigenlijk op MTV, de hele rebelse jongerencultuur wordt gecommercialiseerd. Maar waar wíj voor zijn, zou je kunnen zeggen, is dat voor ons cultuur iets is waar je geen geld uit verdient. Als voorbeeld Eurodusnie. Wij hebben onder andere een eetcafé. Daar betaal je 2,5 euro voor een bord eten, als er een concert is, hetzelfde bedrag voor de entree. Wij hebben een weggeefwinkel, daar brengen mensen spullen die ze te veel hebben, en andere mensen kunnen die spullen gratis ophalen als ze daar zin in hebben. Je zou denken dat dat niet gaat, maar er blijft genoeg binnen komen en er blijft genoeg uit gaan om het te laten lopen. Op het ogenblik dat je iets niet commercieel maakt, als je echt op zoek gaat naar de essentie van zo’n activiteit, dan heb je een recht op voortbestaan, en dan blijf je ook voortbestaan en kun je niet vercommercialiseerd worden.

Het is niet zo dat wij ons verzetten tegen de globalisering, integendeel. Activisten en mensen in het algemeen zijn natuurlijk de basis van de globalisering. De pers noemt de globaliseringsbeweging een anti-globaliseringsbeweging. Dat is meer een reflectie op hun onkunde dan op de beweging zelf. Als je naar zo’n demonstratie kijkt, dan loopt er echt van alles rond. Ook hoe wij mobiliseren. Wij gebruiken internet, we reizen de hele wereld over. Globalisering is ook ten dele gewoon mensen die heen en weer reizen. Het zijn niet alleen de geldstromen die over de wereld heen gaan. Een ander ding is de vraag of wij een parallelle wereld proberen op te richten. Dat is het niet. Ik denk dat wij meer deel zijn van een geschiedkundige ontwikkeling die de kenmerken heeft van moderniteit, maar niet uitsluitend moderniteit. Ik ben een westerse burger, ik kan helaas niets zeggen over andere volkeren, maar daar geldt vast hetzelfde. Waar vrijheid en individualiteit centraal staan. Je ziet gewoon door de geschiedenis heen dat mensen zich toenemend bewust worden van hun omstandigheden, er grip op krijgen, zelf vorm geven aan hun leven. Die vorm is cultureel, politiek, economisch. Zij zorgen gewoon dat zij hun leven scheppen zoals zij dat willen. En daar tegenover staan de mensen die daar geld uit willen verdienen of die de creativiteit en de dynamiek van de samenleving willen gebruiken voor hun eigen voordeel. En dat zijn vaak grote bedrijven, maar ook politici. Eigenlijk zou je kunnen zeggen: zij zijn een reactie op ons. Die globalisering van mensen gaat vanzelf. Dat je er geld uit wil gaan verdienen is een reactie van de kant van de elite zou je kunnen zeggen.

Ik ben het er inderdaad helemaal mee eens dat we het Verlichtingsdenken voortzetten, alleen is het verlichtingsdenken enigszins ambivalent. Want het focust op de bevrijding, de emancipatie van de burger, het individu. Alleen wat wij doen… door de geschiedenis hebben we geleerd dat de emancipatie van het individu alleen kan samengaan met de emancipatie van de hele bevolking. Vrijheid is collectief, het is niet de liberale vrijheid van ‘mijn vrijheid begint waar jouw vrijheid eindigt’.

Waar de sociaal-democratie mooie woorden heeft, en daden niet altijd een weerspiegeling zijn van die woorden, brengen wij dat in praktijk. Wij zeggen niet: wij willen solidariteit, stem op ons, en wij willen in de toekomst ooit eens een solidaire samenleving creëren. Wij zeggen: persoonlijke vrijheid kan zich het beste ontwikkelen, kan het beste ingebed worden in solidariteit, en een solidaire samenleving creëren we nu, hier. We wachten niet op mensen om dat voor ons te doen. Emancipatie betekent dat mensen de macht over hun leven en de macht over de samenleving naar zich toe trekken. Dat eisen ze op. Dat is emancipatie van de burger. Waar de sociaal-democratie veel verantwoordelijkheid van de burger juist wegtrekt van de burger. En dat overlevert aan de staat. Die zegt: wij zullen dat wel inrichten.

In Den Haag zie je eigenlijk, zou je kunnen zeggen, globalisering in het klein. Het probleem dat wij identificeren in de globalisering zoals die nu plaatsvindt, is dat in de belangenstrijd – globalisering wordt vormgegeven, verschillende groepen strijden om de definitie van globalisering – momenteel de belangen van het kapitaal, van de markt, domineren. In de vorm van de Wereldhandelsorganisatie, de G-8, of de Wereldbank, het zijn allemaal instituties die de macht naar zich toetrekken in hun eigen voordeel. En waar voor andere belangen geen plaats is. De belangen voor het milieu, de Derde Wereld. En in Den Haag is het vergelijkbaar. Het is een gemeenschap, de gemeente Den Haag, waar een verscheidenheid aan mensen wonen, echt van alles. Mijns inziens een van de meest diverse steden van Nederland. En binnen die stad krijgen de belangen van de ministeries, van de diplomaten, van de elite, systematisch voorrang boven andere belangen. Of je nu het voorbeeld van de Zwarte Madonna gebruikt, daar wonen een paar honderd mensen in sociale huurwoningen, ze wonen prachtig, in het centrum van de stad, maar zij moeten weg want de gemeente besluit dat er een ministerie moet komen. Prachtige, gezonde gebouwen moeten afgebroken worden omdat de belangen… Het ministerie heeft trouwens al een plaats, het is niet zo dat er een plaats gezocht wordt, het ministerie moet een paar honderd meter verschoven worden, bij wijze van spreken.

Of de Blauwe Aanslag. Zo’n groot gebouw, het is al twintig jaar gekraakt. Er wonen tientallen mensen, die hebben prachtige initiatieven opgezet, van een drukkerij tot een restaurant dat goed draait, er zijn werkkamers, noem het maar en het gebeurt daar. Honderden mensen komen daar per week over de vloer, maar het gebouw moet opschuiven want er moet een bredere weg gebouwd worden. Wiens belang er gediend wordt door die grote weg, is niet altijd even duidelijk. In ieder geval niet het belang van de burgers.

Of als je door Den Haag loopt en je de Schilderswijk binnenloopt. Momenteel zie je overal van die dichtgetimmerde huizen, daar moet sociale woningbouw opschuiven voor koophuizen. En ik denk niet dat de mensen die nu in die sociale woningbouw wonen, die koophuizen kunnen kopen. Zo zie je voortdurend dat de beslissers voor de keuze worden gesteld wiens belang ze dienen. En dan kiezen ze eigenlijk systematisch voor de belangen van de machtige. En ik ben natuurlijk niet naïef, dat je ooit een samenleving kan krijgen die helemaal egalitair is, maar de beslissers zouden moeten kiezen voor de mensen die de macht níet hebben. Want de machtigen kunnen al voor zichzelf zorgen, en die doen dat ook.

Veel van de publieke instellingen zijn inderdaad gewoon door mensen in de geschiedenis opgericht en door de overheid overgenomen. Die had in de geschiedenis het idee: het is een stuk makkelijker als wij dat regelen. En dat klinkt in eerste instantie ook… dat is natuurlijk ook zo. Alleen wat gebeurd is, is dat dat collectief is opgericht. Het openbaar vervoer, de medische zorg enzovoorts, is opgericht met belastinggeld van de burger, met geld van de burger, en ook met zijn energie. En met zijn instemming. En nu wordt het vrijgegeven aan de markt. Dus eerst opgericht door de maatschappij, door ons, en nu wordt het verkocht tegen een appel en een ei en eigenlijk ten gronde gericht. Want iedereen die met de trein reist, ik stond alweer een half uur te wachten, merkt dat die collectieve voorzieningen niet door de markt geregeld kunnen worden. Bij een collectieve voorziening is er sprake van het belang van het publiek, en bij de markt gaat het om de wens van het bedrijf. Die leven gewoon met elkaar in spanning.

Als het een hopeloze zaak was, was ik er niet aan begonnen. Ik denk ook niet in termen van al dan niet hopeloosheid. In eerste instantie ben je bezig met de dingen die je leuk vindt. Ik haal er ook veel persoonlijke genoegdoening uit. Ik heb zelf ook al bij een gewoon bedrijf gewerkt, waar alles gaat om nog meer winst draaien. Dat biedt toch niet de voldoening die je krijgt als je met iets anders bezig bent, iets wat meer gericht is op echte waarde. De waarde van met elkaar iets opzetten. Zelf-organisatie is niet een idealistische toekomstvisie waarvoor je jezelf moet opofferen. Zelf-organisatie en zelf bezig zijn met mensen, leuke initiatieven opzetten die het collectief belang dienen, is iets waar je veel voldoening uit kan halen. Er is niks zo leuk als zelf het eten te maken en te zien dat honderden mensen genieten van dat vegetarisch-biologische eten.

Je moet anders kijken naar de betekenis van werk. Werk is nu in de moderne samenleving geworden tot een activiteit die je verricht en waarvoor je vergoed wordt. Dat is een hele gekke kijk op zaken. Voor mij is werk een activiteit die je verricht voor andere mensen en waarvoor die mensen je vergoeden. Ze geven je wat, enerzijds via tijd, je moet natuurlijk een dak boven je hoofd moet hebben, dus ze betalen er wat bovenop. Je wil graag een keer op vakantie gaan, dus nog wat er bovenop. En uiteindelijk heb je een bedrag waarvan je een normaal leven kunt leiden. Het is veel meer een wisselwerking. Zo’n kijk op de samenleving leidt tot solidariteit. Een kijk van ‘ik werk en ik krijg er wat voor’ leidt juist tot vernauwing van je denken. En vernauwing van je denken is natuurlijk nooit goed. Zo verken je nooit je horizon en maak je eigenlijk niks mee.

Mijn ervaring is dat er eerlijk gezegd inderdaad een soort generatiekloof is. Er is minder tussen mijn generatie en de jouwe. Zo raar als het mag klinken, we vinden veel aanspraak bij wat oudere mensen. Die herkennen veel van die idealen die wij belangrijk vinden uit hun eigen ervaring. Vaak vinden ze het juist leuk om dat terug te zien in de maatschappij. Die generatie die er tussen zit en waar we weinig aanspraak mee hebben zijn de babyboomers. De mensen die in de zestiger jaren allemaal wilde idealen hadden, en die idealen hebben opgegeven en nu met een soort cynische meerwaardigheid kijken naar jongeren die wel nog idealen hebben. Zij denken: wij hebben het geprobeerd en we zijn niet geslaagd. Maar zij nemen óns eigenlijk hun niet-slagen kwalijk. En daar zit een soort gat tussen.

Het hindert me niet echt. Wel eens kan ik me er een beetje aan irriteren. Ik vind het eigenlijk jammer dat zij hun idealen niet hebben doorgezet. In plaats van het nu op te geven en het mensen nu kwalijk te nemen, of een beetje neer te kijken op mensen die met soortgelijke idealen verder gaan. Want op zich blijven de idealen in de samenleving hetzelfde. Ik heb niet veel andere idealen dan mensen door de eeuwen heen altijd hadden. Individualiteit, je leven vorm kunnen geven, genieten van het leven, een beetje het avontuur opzoeken op z’n tijd. Of dat nou is door een goed boek te lezen of naar de film te gaan. En het samenzijn van mensen. Het zijn eeuwige idealen.

Ik denk eerlijk gezegd niet in termen van blauwdrukken. Als er één ding is dat in de geschiedenis failliet verklaard is, dan zijn het zeker blauwdrukken. Daar is het oostblok, het staatssocialisme, het schrikwekkende voorbeeld van wat kan gebeuren met in wezen goed bedoelde blauwdrukken. Mensen moeten dan hun levens gaan schikken naar wat andere mensen een blauwdruk vinden. Wat ik meer heb, en hoe ik tegen de samenleving aankijk, is dat er voortdurende democratisering plaatsvindt. Dat mensen voortdurend op zoek gaan naar nieuwe ruimtes, nieuwe niches in de samenleving waar ze zich kunnen ontplooien. Waar ze met mensen gedachten kunnen uitwisselen. En verzet kunnen bieden tegen de structuren die dat onmogelijk maken of als dat gaat wringen. Dus dat is eigenlijk meer een instelling dan echt een blauwdruk van hoe het uiteindelijk zou moeten zijn. Wat wel centraal staat is solidariteit, duurzaamheid, democratie en persoonlijke ontplooiing. Dat zijn de idealen die richting geven aan mijn insteek in de samenleving.

Door heel Europa, door de hele wereld eigenlijk, richten we initiatieven op zoals Eurodusnie of de werkgroep Globalisering waar mensen bij elkaar komen om vorm te geven aan hun idealen. Dat heeft een uitdijend effect. Bij Eurodusnie komen er wekelijks duizend mensen over de vloer die zien dat het anders kan. Die komen naar de weggeefwinkel en die zien dat mensen gewoon wat voor elkaar over kunnen hebben en dat doen omdat ze er plezier in hebben. En dat zijn zwaartepunten in de samenleving, net zo veel als Microsoft een zwaartepunt is in de samenleving. Wij vormen een netwerk dat voortdurend aansluiting zoekt bij elkaar, ideeën uitwisselt, elkaars initiatieven versterkt en nieuwe mensen bij die initiatieven betrekt. En dat werkt. Je ziet dat die beweging sinds Seattle, de eerste keer dat die echt in de media-aandacht is gekomen, alleen maar is gegroeid. De repressie ten spijt. Dat is al gezien in Genua. Het politie-optreden ging eigenlijk alle grenzen te buiten, de manier waarop de politie tegen eigenlijk een stelletje hippies opgetreden had. Die repressie van de politie is alleen maar toegenomen en het dieptepunt is eigenlijk Genua geweest, waar iemand in het openbaar het echt moest bekopen met zijn leven. Een toename van de repressie ten spijt, groeien die bewegingen alleen maar. In Seattle waren 50 duizend mensen, in Genua 200 duizend mensen. Het blijft groeien, voortdurend komen er nieuwe mensen bij die zich geïnspireerd voelen en aangesproken voelen door de beweging.

Het activisme is eigenlijk voor mij een gevolg van mijn insteek het leven te zien als een avontuur. Met mensen je grenzen en je horizonnen blijven verkennen. En met mensen belangrijke dingen ontdekken en herkennen. En de natuur, leven herkennen. Dus leven zoals het nu bestaat, als een divers en creatief geheel, blijven uitbouwen. En daardoor jezelf ook verrijkt voelen. Dus zeker niet escapisme. Eigenlijk voortdurend dieper duiken in het leven en de samenleving. En daar zeker een rol in spelen. In dat opzicht voel ik me een beetje aangesproken door de Griekse ideeën van de burger, die pas echt mens wordt door het engagement met zijn omgeving, met de samenleving. Pas door met mensen om te gaan, met ze te discussiëren, een beetje ruzie te maken, samen dingen op te zetten, pas dan ontdek je wat mens-zijn is. En individualisme, een individu zijn. Maar dat is het, die voortdurende spanning tussen zelf vorm geven aan je leven, maar dat eigenlijk met mensen moeten doen. Met wie zou je het anders doen? Die spanning tussen individualiteit en solidariteit en dat voortdurend blijven uitzoeken en grenzen blijven verkennen. En natuurlijk de kracht in de samenleving, organisaties die dat willen verwringen met hun invloed. Daar verzet tegen bieden.

Je doet inderdaad ervaring op, en die wil je graag met mensen delen. Als voorbereiding bij de campagne in Brussel hebben wij bij Eurodusnie activisten een training aangeboden. Een dag lang training waar activisten uit Nederland bij elkaar komen om gebruik te maken van de ervaring van mensen zoals ik, en vele anderen – die al in Praag waren, Genua en Zurich -, in de confrontatie met de politie. Hoe zorg je ervoor dat een situatie niet escaleert. Geconfronteerd worden met uitdagende politie of provocateurs in je eigen midden. Wat doe je daarmee? Hoe zorg je dat jij als deelnemer aan zo’n demonstratie beheerst blijft. En dat het jouw demonstratie blijft, en dat je niet de regie uit handen geeft. Of dat nou een partij is die zich binnen de demonstratie de baas wil maken, of dat het provocateurs zijn aan de kant van de politie die de demonstratie willen laten escaleren in geweld, of de politie die zich niet kan beheersen. Hoe zorg jij dat je ook in een demonstratie de baas van je leven blijft. Dat je collectief de regie over zo’n demonstratie hebt. En daar is veel interesse in. Die ervaringen die je opdoet wil je wel voortdurend blijven delen.

Ik heb enigszins ambivalente gevoelens over het feit of de politiek rekening houdt met onze beweging. Ergens is het natuurlijk een compliment als een partij jou zo serieus gaat nemen dat ze met je in discussie wil gaan en punten uit onze agenda wil overnemen. Alleen vraag ik me af wat de motivatie daarvoor zou zijn. Met de mobilisatie naar Brussel toe, zag je voor het eerst dat er meerdere partijen ook deelnemen aan de mobilisatie. Voorheen was dat niet zo. Je vraagt je natuurlijk af of dat voor eigen gewin is, of dat ze dat doen omdat ze echt achter jouw idealen staan. Als ze echt achter jouw idealen staan, waarom waren ze er dan niet vijf jaar geleden bij, toen we met veel moeite die beweging aan het opbouwen waren. Dat blijft moeilijk. Maar uiteraard gaan wij met iedereen in discussie, en we vinden het ook wel belangrijk dat onze agenda breder gedragen wordt. Je zag dat vóór de gebeurtenissen in Amerika van 11 september en de bombardementen in Afghanistan de sociaal-democratische partijen een discussie zouden hebben over globalisering. Ik zag een discussie tussen de Belgische premier Verhofstadt en vertegenwoordigers van de globaliseringsbeweging, dus er is duidelijk wel een toenadering van die twee. De vraag is of die toenadering is om de angel uit de beweging te halen, of is het omdat ze echt serieus met ons in debat willen gaan. Ik ben bang dat het niet het laatste is. Want ze stellen zich niet op hoe wij sámen verandering kunnen bewerkstelligen, maar hún agenda staat vast. Wij moeten met hén in discussie gaan over ónze agenda. Dat is natuurlijk niet een eerlijk discours tussen elkaar. Je moet allebei bereid zijn om wat in te leveren. We hebben gewoon een beetje een wantrouwige relatie tot het gezag. Van veel initiatieven die in het verleden door burgers zijn opgezet, of dat nou oog voor elkaar is of verschillende culturele initiatieven, verdwijnt veel van de creativiteit op het ogenblik dat ze worden overgenomen door de overheid. Het zou zonde zijn als dat ook met de globaliseringsbeweging zou gebeuren.

De ‘andere wereld’ kan alleen door de bevolking, door mensen zoals jij en ik vormgegeven worden. Daar hebben wij de overheid niet voor nodig. De ‘andere wereld’ is solidair met elkaar omgaan, bewust zijn van de gevolgen van je handelingen. Dat is de andere wereld. We hebben de overheid wél nodig voor de administratie van dingen. En in dit geval ook om grenzen te stellen aan vernietigende handelingen. Als Shell zou gaan investeren in Nigeria, om maar een cliché-voorbeeld te noemen, en die investeringen leiden tot de vernietiging van het leefmilieu daar, de vernietiging van het gemeenschapsleven van mensen daar, dan is de rol van de staat om daar een streep te zetten en te zeggen: dat kan niet zo. Dat kunnen wij heel moeilijk, die middelen hebben wij niet altijd in handen. En zolang de overheid niet bereid is om dat te doen, en zolang partijen niet bereid zijn om te zeggen: wij gaan grenzen stellen aan de handelingen van multinationals, dan is er eigenlijk geen serieus debat mogelijk. Voor onze idealen hebben we de overheid niet nodig, daar zijn we zelf al mee bezig. Maar in het verzet kan de overheid wel een rol spelen. Het verzet tegen de vernietiging van het leefmilieu in de gemeenschap. En daar zijn ze niet toe bereid.

Nog niet. Maar ik denk dat als je je als beweging te snel laat incorporeren, of enigszins laat incorporeren, de druk dan verdwijnt op de overheid om er echt wat aan te doen. Want de enige reden waarom een politieke partij iets doet, is omdat ze denkt anders stemmen te verliezen. Het is een kwalijke zaak om je te laten incorporeren door het partijwezen. Het staat eigenlijk lijnrecht tegenover de uitgangspunten die in de beweging leven. En dat is gewoon zelf grip krijgen op je leven en op de samenleving. En het niet voor jou laten regelen door de overheid. Het oude emancipatie-ideaal moet eigenlijk centraal blijven staan. De NS is een goed voorbeeld. De overheid heeft bij de NS geen rol gespeeld. Het is overduidelijk. Het reizigersaantal loopt alleen maar terug, er was grote tegenstand tegen de reorganisatie van de NS door het personeel. Wat de overheid doet, is eigenlijk de NS gewoon gelijk geven. Netelenbos zei: “Helaas, de NS kan niet anders.” Je kan ook een heel totaal andere manier van omgang voorstellen met het openbaar vervoer. Een democratische insteek zou zijn: kijk naar het vervoer, kijk wie allemaal belangen heeft bij een goed geregeld openbaar vervoer, en betrek die mensen erbij. Dat betekent om te beginnen uiteraard het personeel, want dat werkt met treinen, dat weet waarschijnlijk veel meer over het reilen en zeilen van treinen dan de directie. En de reizigers, er is nooit aan gedacht om reizigers bij de discussie te betrekken. En de milieubeweging, want openbaar vervoer is gewoon cruciaal in de ontwikkeling van een duurzaam transportbeleid. Maar niet één van die partijen is ooit benaderd. De enige partij was de directie, en wat is het belang van de directie? Geld verdienen.

Het is alleen vervelend dat mensen zich bewust moeten worden door negatieve ervaringen. In dat opzicht gaat het wel een andere kant op. En met de vernietiging van het Afghaanse landschap, de samenleving daar, denk ik dat veel mensen zich realiseren dat er iets moet gebeuren. Die wereldwijde alliantie kon precies doen waar ze zin in had. Ook hier zien mensen weer dat je de verantwoordelijkheid overgeeft. Er wordt gewoon niet iets gedaan aan de situatie wat echt leidt tot een oplossing. De hele bevolking werd gebombardeerd met clusterbommen, en het is alsof de overheid geen zicht heeft op hoe je echt problemen kunt oplossen. En ook dit zet mensen aan het denken. Het kan anders, het moet ergens anders naartoe. Uiteraard moet je wat doen aan de problemen. Wie ook verantwoordelijk is voor de aanslagen in Amerika moet tot de orde geroepen worden. Maar het ironische was dat 11 september de globale samenleving voor een keuze stelde: de keuze voor barbaarsheid of voor de rechtsstaat. En wij hebben gekozen voor barbaarsheid. We hebben ervoor gekozen om in plaats van een schúldige te pakken, een ónschuldige te bombarderen. Eigenlijk dezelfde misstanden te creëren als die terroristen. Wie dat ook mogen zijn. En ik hoop dat dat mensen laat realiseren dat als je een democratische samenleving wil, een samenleving zonder die vergrijpen, je dat zelf moet doen. We kunnen gewoon niet op de overheid vertrouwen om dat te doen. Als de overheid iets goeds doet, dan is dat omdat dat onder druk is van de bevolking. En zo zou het ook eigenlijk moeten zijn. Je moet het initiatiefrecht niet overgeven aan de overheid. Ik probeer daarin in ieder geval voor mijzelf het rechte pad te houden, ja.”

Governance in Cultuur: Een klucht vol verwarring (vrij naar William Shakespeare, 1594), deel 1.

Op 19 april 2007 sprak de grote wijsgeer, wetenschapper en literator, tevens minister van cultuur en wetenschappen, prof. dr. Ronald Plasterk tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de Wet op het specifiek cultuurbeleid in de Tweede Kamer de historische woorden: ‘Wat de Kamer vandaag doet, is vrij ongekend in een democratie: er worden bevoegdheden weggegeven. De Kamer had de bevoegdheid om per instelling te besluiten welke subsidie zij wel of niet wilde geven, zij had al eerder aangegeven dat niet meer te wensen, en dat wordt vandaag bekrachtigd.’ Men kan zich afvragen of de Kamer het wetsvoorstel wel goed heeft gelezen. Het opheffen van de bemoeienis van de Kamer met ieder afzonderlijk subsidieverzoek is één, het grotendeels uitschakelen van de Kamer waar het de voornemens voor het algehele cultuurbeleid van de regering betreft, is heel wat anders.

Plasterk noch enig lid van de Tweede Kamer kon destijds bevroeden dat allerlei krachten aan de randen van het nationale artistieke bedrijf zich vanaf dat moment likkebaardend opmaakten om de rol van de Tweede Kamer met toenemend enthousiasme over te nemen, tegen betaling uiteraard, dat spreekt vanzelf.

Theo Loevendie 4tet in Shaffy, ‘het theater waar alles kan’. Jaren ’70.

Daar zitten we dan mooi mee: één van de meest in het oog springende verschijnselen van de ongebreidelde bemoeizucht van de sinds 2007 over de kunstwereld uitgestorte adviezen, aanbevelingen en ‘vrijwillig toe te passen zgn. codes’ is wel de Code Cultural Governance. Ik zeg met opzet één van de erupties van het inmiddels ondoorgrondelijke, maar nogal dwingend optredend conglomeraat van ambtenaren, zelfbenoemde deskundigen, advies- en (niet wettelijk erkende) scholingsbureaus en baantjesjagers.

Helaas is bovengenoemde ontwikkeling mede in de hand gewerkt door het ronduit slappe gedrag van veel kunstinstellingen zelf. Op zich niet verbazingwekkend, het zijn tenslotte voornamelijk mkb-bedrijven, vergelijkbaar in omvang, personeelsbestand en omzet met de meerderheid van de ondernemingen in het bedrijfsleven zoals sigarenboeren, hovenierbedrijven, schilders en loodgieters, garagebedrijven of uitgeverijen. De grotere toneel- en danshuizen, mediabedrijven, festivals en omroepen, door wijlen Jan Kassies aangeduid met de verzamelnaam ‘openbare nutsbedrijven’, laat ik in dit betoog buiten beschouwing.

In hun streven naar erkenning en vooral om de schijn te wekken serieus genomen te moeten worden is zo’n dikke 50 jaar geleden bij al die piepkleine en (iets) grotere stichtingen en stichtinkjes die samen het grootste deel van de kunstwereld vormen, het commissarismodel ingevoerd. Bij een van de toenmalige voorbereidende brainstormen op het kantoor van DNB en in bijzijn van Wim Duisenberg was ik aanwezig. Zelden zo’n gekkenhuis meegemaakt. Daar bleek weer eens dat, in tegenstelling tot de wetenschap, er van enig vermogen om naar elkaar te luisteren, een consistente zin uit te spreken of te beseffen dat men praat als een kip zonder kop geen sprake was. Het was toen, net als nu, ieder voor zich en God voor ons allen.

Zoals te verwachten was werd het commissarismodel uit het bedrijfsleven in de vorm van een Raad van Toezicht zónder enige substantiële discussie ingevoerd. Dat heeft, moet ik toegeven, in een aantal instellingen een minimum aan bestuursethiek gebracht, een verbetering bij de situatie waarbij nogal wat kunstinstellingen werden bestuurd door de betrokkenen zelf. De nogal ondoordachte en plompverloren invoering van deze extra bestuurslaag heeft echter tot op heden geen waarneembare waarde toegevoegd aan het kunst- en cultuurbedrijf. Te vaak wordt de leiding van de instelling gehinderd door de storende en stuitende incompetentie van nogal wat raden van toezicht. Het uitblijven van enig serieus onderzoek naar effectiviteit en rendement van het verschijnsel op zich helpt de zgn. ‘professionalisering van het toezicht’ niet echt, in tegendeel. Om vooral maar voor vol te worden aangezien werden de raden volgeplempt met accountants, marketingtypes, filiaalhouders van de plaatselijke boerenleenbank, notarissen en een enkele wetenschapper. Daarmee het algemeen heersende vooroordeel versterkend dat er in die kunstsector eens goed strak en zakelijk bestuurd moet worden. Kennis van de inhoud van het werk is dan geen pre. Heel gek als men beseft dat de raden van commissarissen van banken veelal bestaan uit bankiers of minstens worden voorgezeten door de vorige directievoorzitter en in de raden van toezicht van ziekenhuizen altijd een betrokken praktijkdeskundige zoals een chirurg of internist zit.

Royal de Luxe tijdens Amsterdam Culturele Hoofdstad 1987 – Een toekomst voor ideeën

Natuurlijk zal ook in de kunstwereld een raad nooit voor 100% uit vakspecialisten bestaan, maar toch in zodanige mate dat het toezicht op de bestuurder/directeur niet uitmondt in de totale teloorgang van de kunstinstelling omdat de raad van toezicht in feite de leiding overneemt als ware het de wasknijperfabriek die voor de meeste van hen immers geen geheimen kent. Met enige regelmaat blijkt dat zo’n raad maar wat doet, of nog erger, bij het minste zuchtje tegenwind vanuit de organisatie, de concurrentie, pers of de samenleving, bereid is de bestuurder/directeur in zijn/haar hemd te zetten, terwijl die oorverdovend krachtig gesteund had moeten worden. Dat is namelijk wat de kunstwereld werd voorgespiegeld omdat het zou leiden tot het permanente debat over de voorwaarden voor voortgaande innovatie en kwaliteitsverbetering dat in geen enkele democratische samenleving mag ontbreken. Was dat niet één van de voornaamste doelstellingen van het voormalige Kunstenaarsverzet bij het inrichten van een naoorlogs kunstbeleid?

Een betere naam voor de RvT zou dan ook moeten zijn: Raad voor Ondersteuning, Bijstand en Toezicht met als belangrijkste taak het terzijde staan van de directie. Het kan dan dus géén zelfstandig buiten beleid en praktijk staand orgaan met vrijwel ongelimiteerde bevoegdheden zijn zonder enige verantwoordingsplicht. Dat is in de corporate world, waar het RvT/commissarismodel van is afgekeken wel anders. Daar zijn het in laatste instantie de aandeelhouders die de Raad van Commissarissen ter verantwoording roepen, zij zijn immers de eigenaren van het bedrijf.

Dat roept de vraag op wie de eigenaar is van het kunstbedrijf waaraan de RvT verantwoording zou moeten afleggen. Zolang dit volstrekt onduidelijk is pleit ik ervoor dat de directie de baas is en alle beslissingen neemt, óók wie er wordt uitgenodigd zitting te nemen in de RvT. Het gaat tenslotte om het hoogst mogelijke artistiek/inhoudelijke resultaat. De raad van toezicht verleent steun, bijstand en expertise in alle gevallen waarin de directie daarom vraagt. Daarom moeten de leden van de RvT goed ingevoerd zijn in het artistiek/inhoudelijk specialisme van het kunstbedrijf op basis van aantoonbare kennis en ervaring van het ecosysteem waar de instelling deel van uitmaakt. Bij afwezigheid van deze noodzakelijke basiskennis bij de afzonderlijke leden van de raad doet zich te vaak het treurigmakend verschijnsel voor dat raden van toezicht met slappe knieën het voor het zeggen krijgen en onbedoeld tot procedure-fetisjisten kunnen uitgroeien met het doel alle risico’s ter bescherming van hun eigen reputatie te willen uitsluiten.

Theo d’Or winnares Karina Holla, foto uit recente voorstelling

Daar zijn we nu dus beland. Zo zien leden van de RvT te vaak het afbreukrisico voor hun eigen maatschappelijke positie als maatstaf voor het (niet) ingrijpen in crisissituaties waarin culturele instellingen bij tijd en wijle komen te verkeren. Daar komt bij dat er niet zoiets bestaat als een Autoriteit Culturele Markten, ook de Nationale Ombudsman zal waarschijnlijk geen brood zien in bredere vraagstukken waar kunstinstellingen mee kampen en het ministerie geeft niet thuis als het om vermeend dilettantisme van de raden van toezicht gaat. De ambtenaren op het ministerie verschuilen zich meestal achter: ‘Kunstinstellingen zijn particulier initiatief, daar kunnen we niets over zeggen.’ Of toch wél?

Ook de minister blijkt nu toch te beseffen dat het RvT-model in de praktijk niet aan de verwachtingen voldoet. Wat die verwachtingen zijn? In zijn brief van 27 januari 2025 aan de Raad voor Cultuur constateert de minister dat ‘vele duizenden toezichthouders zich met hart en ziel inzetten voor een bloeiend cultureel leven (…) op bijvoorbeeld financieel gebied, veranderende maatschappelijke contexten, veranderende publieksverwachtingen en veranderende regelgeving’. Is dit niet enigszins merkwaardig? Dit zijn nu juist de eisen die in iedere wervingsadvertentie gesteld worden aan de persoon die de directiefunctie van een zichzelf respecterende culturele instelling wil vervullen. Het lijkt erop dat de minister verwacht dat er een parallelle autoriteit wordt ingericht die ervan uit moet gaan dat de directie op bovengenoemde terreinen volstrekt incompetent is. Het ontbreekt er nog maar aan dat de RvT de veranderende artistiek/inhoudelijke internationale tendensen in het vakgebied van de instelling in het oog zou moeten houden. Hier moeten we toch vaststellen dat de minister en zijn ambtenaren behoorlijk van het padje zijn geraakt.

Het verklaart overigens wel dat enorme aantal van vele duizenden toezichthouders, ja die heb je wel nodig om een deel van het werk van de directie nog eens dunnetjes (of juist overdreven wijsneuzig) over te willen doen. Gelukkig bevat de uiteindelijke adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur slechts één zin, die bovendien heel nuttig en redelijk klinkt, namelijk: ‘Hoe kan het toezicht in de culturele en creatieve sector worden verbeterd?’ Indien de Raad bovenstaande constateringen bij haar advies betrekt kan de vraag van de minister wel degelijk positief én innovatief beantwoord worden. Idealiter zal de kwaliteit van de directies én door hen benoemde Raden van Ondersteuning etc. aanzienlijk toenemen onder gelijktijdige vermindering van de dilettantische bemoeienis van accountants, sociologen, marketeers en consultants waarnaar de minister in zijn brief verwijst.

De Kiesmannen, met o.a. EuropaNacht in Paradiso

Het zal toch niet gebeuren dat de ‘verbetering van het toezicht’ gezocht wordt in de zoveelste zgn. professionalisering van de huidige praktijk. Die kan er alleen maar toe leiden dat de – sinds 2007 met grote snelheid opgetuigde – anonieme bureaucratie buiten iedere praktijk van openbare verantwoording nog meer mogelijkheden krijgt om de betrekkelijk diffuse doelstellingen van beheersing en sturing, in de vorm van besluiten, aan kunstinstellingen en kunstenaars op te leggen. Daarmee worden de ‘randvoorwaarden voor culturele excellentie’, waar de minister volgens de slotalinea van zijn brief naar streeft, vakkundig in de kiem gesmoord.

Het leidt immers tot een onverantwoorde aanslag op de opdracht van iedere kunstenaar en kunstinstelling om in vrijheid een eigen, innovatief, artistiek én organisatorisch beleid te voeren, niet gehinderd door inzichten uit de markteconomie, die nu veel raden van toezicht teisteren, zonder dat daar enig toezicht op gehouden wordt.

Dat zou ook Plasterk te ver gaan, vermoed ik.

Glück Auf!

EUROPE ON ITS WAY: Public debate in Ravenna

The seminar “From a divided to an enlarged Europe: an assessment (1989-2019)” held in Ravenna from 2-6 September 2019 as part of the Erasmus+ project “Towards an MBA European Culture, Heritage and Citizenship”, included a round table discussion and public debate.
Romano Prodi (president of the European Commission from 1999-2004) and Steve Austen (Netherlands Business Academy, initiator of the project) reacted on various remarks from the audience.

Most burning concerns were about the future of the EU: will it be the United States of Europe and what is the envisaged final concept? When will the format of the EU be clear and completed?

Mr. Prodi pointed out that those who wish to compare the EU with the US should have a closer look to those factors that make the US a successful federation. Characteristics the US do have and the EU doesn’t, are the common language for instance, as well as the shared heritage of its inhabitants and the absence of a history of strong nation states. Mr. Prodi also mentioned that unlike the EU, the governments of federal states do spend enormous sums of taxpayers’ money at the level of the central federal government. Finally, Mr. Prodi underlined that those that feel comfortable with their federation don’t feel the need of thinking about alternatives, they therefore are convinced that their government is the best in the world.

In addition, Steve Austen referred to a speech of Van Rompuy stating that the Union does not resemble any other existing form of state. It is not a nation state, not a federation nor a confederation, it is something completely new that cannot be found anywhere else in the world. It is ‘something original, something unique, and should be regarded as the largest area of democracy, freedom, prosperity and social justice in the world’¹.

Following the analysis of Jaap Hoeksma²: It is a developing political entity that differs not only from familiar forms of the state, but also from familiar international organisations, be they supranational, intergovernmental or multilateral. The unique and specific character of the EU is expressed in the application of the concept of the democratic constitutional state to an international organisation, thereby providing a framework for the extension of the European citizenship that is known to all citizens. The framework of the democratic constitutional state they have been familiar with for a long time, or have been gradually getting to know since the fall of the Wall and joining the EU, now applies to the territory of the Union as a whole and is guaranteed by the Treaty of Lisbon.

[1] Intervention by Herman Van Rompuy, former President of the European Council, at the ceremony on the occasion of the entry into force of the Lisbon Treaty, Lisbon, 1 December 2009.
[2] Jaap Hoeksma: The Theory of Democratic Integration. Constructing the EU as a Union of States and Citizens. Wolf Legal Publishers, ISBN: 9789462404595.

The Theory of Democratic Integration (Summary)

Alle content © 2023 door Steve Austen