Herinneringen aan György Konrád

Door Steve Austen

Op 24 april 1987 hebben Linda Bouws en ik György Konrád voor het eerst ontmoet. Hij was in Amsterdam om zijn uitgever Rob van Gennep te bezoeken die de afspraak geregeld had. Linda en ik wilden hem strikken voor de bijeenkomst van het Europees Kunstenaars Forum dat later dat jaar in het kader van “Amsterdam Culturele Hoofdstad van Europa, een toekomst voor ideeën” in het Hilton hotel zou plaatsvinden. Konrád stemde toe en kondigde aan te zullen spreken over het “Midden-Europese zelfbeeld”, de Midden-Europese identiteit zouden we nu zeggen.

György Konrád op 17 mei 2008 tijdens de receptie in de ambtswoning ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. Konrád verbleef enige dagen in Amsterdam als gast van Felix Meritis in het kader van 20 Jaar Gulliver.

Toen de datum van de bijeenkomst naderde bleek plots dat de Hongaarse autoriteiten deze keer geen paspoort wilden verstrekken. Door de informele contacten van enige hoge ambtenaren van WVC met collega’s in Hongarije kon Konrád, zij het met enige vertraging, alsnog de nodige papieren ontvangen waardoor hij weliswaar het Kunstenaars Forum miste maar wél zijn voorgenomen voordracht voor een volle zaal in het Hilton hotel kon houden. Bij die gelegenheid sprak hij Duits, met een onmiskenbaar Hongaars accent. Ik heb wel eens gedacht dat zijn onweerstaanbare opkomst in Nederland niet alleen met zijn vroege ontdekking door Rob van Gennep en het succes van zijn romans te maken had, maar zeker ook met zijn charismatische persoonlijkheid. Hij werd pas echt wereldberoemd in Nederland toen Wim Kayzer een avondvullend interview met hem had uitgezonden.

Toen, in 1987, was er nog geen sprake van enig optimisme over de op handen zijnde snelle veranderingen in Midden- en Oost-Europa. Letterlijk zei Konrád toen dat er van een post- communistische democratie nog geen spoor te bekennen viel. Niet lang daarna ontmoette ik Konrád weer, nu op uitnodiging van Günter Grass, die zojuist met een twintigtal anderen, kunstenaars en intellectuelen, tijdens het Europees Kunstenaars Forum in Amsterdam The informal working body Gulliver had opgericht. Het in vele opzichten gedenkwaardige gesprek vond plaats in de Akademie der Künste (AdK) in (toen nog) West-Berlijn waarvan Grass de voorzitter (President) was. Het gesprek waaraan onder meer ook Luigi Nono en Andrej Voznesensky deelnamen, moest ertoe leiden dat de Akademie der Künste zich actiever dan ooit zou gaan inzetten voor de door Grass zo bepleite oost-west dialoog. In die tijd nog een erg omstreden gedachte, zeker voor een deftige instelling als de Akademie. Het duurde dan ook niet lang of Grass’ mandaat werd niet verlengd. De Akademie sliep in en is pas na een pijnlijke fusie met de Oost-Duitse zusterinstelling op het idee gekomen dat er misschien toch wel iets school in de ideeën van Grass c.s. Ik kan dan ook niet ontkennen dat ik enigszins geamuseerd reageerde toen György Konrád mij enige jaren later deelgenoot maakte van het aan hem gerichte verzoek om de nieuwe President van de AdK te worden. Hij zou de eerste niet-Duitse voorzitter van deze eminente Duitse instelling zijn en bovendien Joods. Hij vond het een eer, maar vroeg zich af of het zijn kunstenaarschap was dat tot dit verzoek had geleid of dat er andere motieven waren. We spraken af elkaar weer te ontmoeten in Berlijn wanneer alles in kannen en kruiken zou zijn.

Toen hij eenmaal benoemd was hebben we elkaar veelvuldig ontmoet in Berlijn, Boedapest en Amsterdam, waar hij regelmatig te gast was in Felix Meritis. Een week voor de toetreding van Hongarije tot de Europese Unie in mei 2004 heb ik een wat langer gesprek met hem gevoerd dat in retrospectief een zeer goed beeld geeft van de optimistische stemming die er in heel Europa, de oude en de nieuwe lidstaten, heerste. Ik was vooral nieuwsgierig naar zijn mening over het vraagstuk van de identiteit, waarbij ik mij niet aan de indruk kon onttrekken dat Konrád een bij vlagen wel erg positief mensbeeld had.
Zo herinner ik me een nogal heftig gesprek van enige jaren daarvoor over Amsterdam en Boedapest, waarbij hij uiteindelijk concludeerde dat de identiteit van de stad vooral wordt bepaald door de mensen die er leven.

“De grootte van de stad doet er niet zoveel toe, als er ‘grote’ persoonlijkheden wonen is de stad groot natuurlijk. Om iets te kunnen zeggen over de innerlijke vrijheid van de burgers moet je meer weten. Welke rol speelt de reformatie bijvoorbeeld. Leven de Nederlanders in het algemeen met meer innerlijke conflicten dan de Vlamingen? Of juist minder? Hoe dan ook, je kunt constateren dat de burgers van Amsterdam een volwassen pragmatisme aan de dag leggen; voor mijzelf blijkt dat heel duidelijk uit de manier waarop hier met softdrugs wordt omgegaan. Het respect voor de privésfeer; wat iemand drinkt of rookt of eet is ieders eigen zaak, ik vind dat van groot belang. Misschien stel ik het wat mooier voor dan het is, maar ik hecht groot belang aan de rechtsfilosofische opvattingen die aan een dergelijke houding ten grondslag liggen. Namelijk dat er in het algemeen geen reden is mensen te straffen voor iets waarmee zij anderen geen schade berokkenen. Of zij zichzelf benadelen is geen reden voor de staat om straf op te leggen. Het doen van een zelfmoordpoging leidt in Nederland meestal tot opname in een ziekenhuis en niet tot opname in de gevangenis. Of iemand alcoholist is of te veel chocolade eet of drie pakjes sigaretten per dag rookt blijft in principe zijn eigen verantwoordelijkheid, zo is dat ook in vele andere kwesties. Amsterdam gaat daar op een heel rustige manier mee om en met gevoel voor humor. Misschien dat deze of gene Amsterdammer klaagt dat er te weinig solidariteit is, maar dan moet men bedenken dat tolerantie twee componenten heeft: autonomie en inderdaad solidariteit of vriendschap zo men wil.

Burgemeester Job Cohen feliciteert Konrád met zijn 75ste verjaardag.

Ik kan het niet beoordelen omdat ik niet in Amsterdam woon, maar het kan heel goed zijn dat de echte vriendschap, de ‘Komplizenschaft’ in Amsterdam, dat al eeuwenlang een normale concurrentiemaatschappij is, minder beoefend wordt dan in Midden-Europa. Overigens waren het altijd weer de Nederlanders die in internationale bijeenkomsten waaraan ik deelgenomen heb zich het meest openstelden voor het idee dat naast de economische samenwerking in Europa, de culturele integratie toch ook van groot belang is. Dat is op zichzelf niets nieuws, ook in de tijd van Erasmus waren de Nederlanders geïnteresseerd in culturele samenwerking. Ik ben ervan overtuigd dat Nederland een nogal open samenleving is, nieuwsgierig en kritisch. Valt er eigenlijk voor de Nederlanders nog wat op te steken van de ervaringen van de nieuwe Europese medeburgers uit Midden-Europa? Bijvoorbeeld op het gebied van het zelfonderzoek?

Dat prettige gevoel van continuïteit dat in Nederland bij veel niet-joodse burgers aanwezig is, is in Midden- en Oost-Europa onbekend. Daar heeft men moeten leven met de realiteit dat de normen en waarden van vandaag de verschrikkingen van morgen kunnen zijn. Een leven dat onderhevig is aan een wetmatige discontinuïteit met het verleden kan ook een zekere kracht ontwikkelen. Iemand die alles al eens is kwijtgeraakt is er niet zo snel meer bevreesd voor nog eens iets kwijt te raken. Kleine onderbrekingen in iemands carrière zijn minder zorgwekkend voor iemand die al eens in de gevangenis terecht is gekomen. In zo’n geval beschik je over een grotere soevereiniteit. Je kunt zeggen: mij kan niets gebeuren, ik kan alles aan.

Dat verklaart misschien ook wel waarom in Midden- en Oost-Europa zo veel kunstenaars en intellectuelen na de ineenstorting van het communisme leidende posities in de samenleving hebben ingenomen. Zij konden zich in hun nieuwe rol snel thuis voelen omdat zij sterke persoonlijkheden waren. Omdat zij kennis hadden gemaakt met vervolging en onderdrukking en desondanks hun eigen weg gegaan zijn, zullen zij zich niet zo snel laten beïnvloeden door toevallige omstandigheden, maar zullen ze zelf de omstandigheden mede bepalen.

Het valt me op dat in de westerse samenlevingen veel meer sprake is van een zekere clichématige aanpassing. Men hoeft ten slotte niet alles te geloven wat de kranten schrijven. Men hoeft ook niet noodzakelijkerwijze zich aan een situatie aan te passen, pluriformiteit betekent tenslotte dat er altijd meerdere oplossingen mogelijk zijn, ook de minder voor de hand liggende.

Men moet de moed hebben steeds weer de eigen beslissingen ter discussie te stellen, de consensus die men bereid is te accepteren toch ook met enige scepsis te bejegenen. Dat vereist natuurlijk een zelfbewustzijn dat beter ontwikkeld is naarmate men meer geconfronteerd is geweest met zeer uiteenlopende levensomstandigheden. Er schuilt een zeker gevaar in te veel zelfgenoegzaamheid. De vrees voor het verliezen van een goede positie kan ertoe leiden dat men deel wordt van de overheid, dat men te voorzichtig wordt als het ware. Het behouden en ontwikkelen van een zekere burgerlijke onafhankelijkheid is noodzakelijk om de aanpassing aan vreemde overheersing te voorkomen. Misschien is het wel belangrijker voor het ontwikkelen van een soevereine persoonlijkheid dat men meer aandacht leert schenken aan de kwaliteit van de dingen die men doet dan aan het succes dat er mee te behalen valt. Ons bewustzijn zal complexer worden, de toekomst zal leren dat er in dat opzicht geen verschil meer zal bestaan tussen een inwoner van Amsterdam of Boedapest.”

En dan nu Europa, vraag ik hem; over een week is ook Hongarije lid van de Europese Unie.
We lunchen in het restaurant van de Hongaarse “Buchmesse”. Konrád geeft wederom blijk van zijn zeer menselijk optimisme, zij het dat hij eraan toevoegt dat zijn antipolitieke uitgangspunt oproept tot ironische oplettendheid, daarom bevalt hem de constitutionele beperking die de Europese Unie de lidstaten noodzakelijkerwijze oplegt.

Konrád met Cees Nooteboom en Job Cohen. In 2008 was Cees Nooteboom lid van de Akademie der Künste in Berlijn, waarvan Konrád op dat moment President was.

“Het mooie van de Unie is dat wat de lokale of nationale ambities van de lidstaten ook mogen zijn, ze uiteindelijk zullen leiden tot zoiets als een gezamenlijke Europese ambitie. Voor Hongarije betekent dat het vooruitzicht van grotere veiligheid en vrijheid, een weidsere horizon en rijkere ervaringen.”

Om zijn pleidooi te onderstrepen wijst hij erop dat we in Europa over meer dan voldoende lokale en landelijke politici beschikken maar nog nauwelijks over Europese in de ware zin van het woord. Voor zover deze politici gedreven worden door lokaalpopulisme zullen ze op den duur hun verkiezingsretoriek moeten vervangen door Europese fraseologie. Volgens Konrád is daar op zichzelf niets mis mee. Alle politici die direct of indirect, via hun regeringsleiders, aan het Europees besluitvormingsproces deelnemen, zitten immers in hetzelfde schuitje. Het valt niet uit te sluiten dat juist dit proces, waarin binnenlandse politiek moet veranderen in buitenlandbeleid om vervolgens Europees te worden, juist door de noodzaak van pragmatische compromissen zal leiden tot maatregelen die in hoge mate eerlijk en rechtvaardig zijn.

Konráds optimisme gaat echter niet zo ver dat hij van de toetreding tot de Europese Unie enige heil en zegen verwacht voor de culturele en intellectuele sector. Hij wijst er terecht op dat tot heden, dit beleidsterrein het enige is dat uitgesloten is van substantiële Europese steun.
Zolang de bestedingen van de Unie op het gebied van kunst en cultuur minder bedragen dan een promille van de Europese begroting, kan men de inspanningen van de Unie op dit terrein niet serieus nemen. Terwijl, zoals Konrád hier met volle overtuiging aan toevoegt, de cultuur toch het bindend element van de Unie vormt en niet de economie of de politieke samenwerking. De cultuur heeft Europa gevormd tot wat het is. De rol die literatuur, ook de religieuze geschriften, door de eeuwen in Europa heeft gespeeld en nog speelt is daar in hoge mate debet aan.

“Het is niet zozeer de geografische omvang die Europa zijn betekenis zal geven, het gaat veel meer om de geestkracht die Europa kan ontwikkelen, het gebruik dat Europa zal maken van zijn pluralistische tradities en zijn intellectuele mogelijkheden. Het gaat in de wereld van vandaag tenslotte niet meer om een economische en militaire machtsstrijd maar veeleer om een machtsstrijd van de geest. Hoe groot de Europese Unie ook wordt, voorlopig is aan de uitbreiding nog geen eind gekomen. De betekenis zal vooral afhangen van ons optreden, ons gedrag, of we nieuwsgierig zijn naar wat er zich in de wereld om ons heen afspeelt, zowel op macro- als op microniveau, als het er op aankomt naar de wereld van een enkele persoon.”

Om al deze redenen, maar vooral ook omdat Hongarije op 1 mei 2004 eindelijk de plaats heeft ingenomen die het verdient, die van een normaal land dat zich behaaglijk nestelt te midden van zijn soortgenoten, heeft Konrád op die dag een fles goede Hongaarse wijn opengetrokken in het besef dat zijn land zich eindelijk met zichzelf heeft verzoend en de Hongaarse burgers in niets meer verschillen van hun nieuwe Europese buren.

Hoe waar dat laatste ook mag zijn, door mijn huidige werk in Hongarije waarbij Konrád, zonder het te weten, een belangrijke persoonlijke rol heeft gespeeld, is ook Hongarije niet ontkomen aan de betrekkelijk snelle wisseling van de macht na de eerste vrije verkiezingen. Nu, 30 jaar na het oprollen van het IJzeren Gordijn, begonnen in Hongarije, moeten we vaststellen dat in vrijwel alle nieuwe lidstaten van de EU de overgang van een totalitair bewind naar een liberale democratie verre van geslaagd is. Dat ligt mijns inziens niet aan de bevolking van de voormalige DDR of Roemenië, om maar twee willekeurige voorbeelden te noemen. Pas recentelijk begint in bredere politieke, culturele en wetenschappelijke kring het besef door te dringen dat het westers optimisme dat gedeeld werd door tal van dissidenten, onder hen veel kunstenaars, ongefundeerd was: namelijk niet gebaseerd op enig onderzoek of ervaringsfeit.

Je kunt gerust zeggen dat Konrád behalve teleurgesteld, ook persoonlijk zeer geraakt werd door de ontwikkelingen in zijn eigen land. Hij heeft daarover veel geschreven en zich zeer scherp gekeerd tegen de regering Orban.
Bij een van zijn laatste optredens in Berlijn voor A Soul for Europe, spraken wij elkaar kort met de belofte het gesprek in Amsterdam voort te zetten.
Het is er helaas niet meer van gekomen.

September 2019

Meer originele waarnemingen van György Konrád over Nederland en Amsterdam zijn te vinden in de uitgave Amsterdam (Van Gennep), o.a. te koop bij de Stadsboekwinkel Amsterdam.

Steve Austen modereert congres Toekomst Schutterijen

Steve Austen wordt steeds vaker gevraagd om als laatste spreker een congresdag samen te vatten als “dagsluiter”. Hierbij een aardig voorbeeld van zo’n optreden.

In het buitenland (voertaal Duits of Engels), valt deze rol veelal samen met die van moderator, waarvoor Steve Austen met enige regelmaat uitgenodigd wordt.

Actieve rol voor Felix Meritis Foundation in werkgroep Audience Participation EU

Felix Meritis neemt actief deel aan de werkgroep Audience Participation van het Platform Access to Culture ingesteld door de Europese Commissie in het kader van de bevordering van de dialoog met de civil society.

Nog juist voor de zomer werd het resultaat van de beraadslagingen in deze werkgroep aan het Platform en de Europese Commissie gepresenteerd. De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat het begrip audience development in de huidige tijd onmiskenbaar raakvlakken heeft met burgerschap. Wat kan burgerschap betekenen voor de culturele sector en vice versa? Daarover ging de presentatie waarvan de integrale versie te vinden is op de website van Felix Meritis. 

Towards a cultural component of citizenship

The role of the citizen in building Europe

CITIZENSHIP – new legal windows

The concept of Union Citizenship was established as a legal concept by the Treaty of Maastricht in 1992. It marked a clear break from the market logic where individuals were mostly seen as consumers. The Union Citizenship is a status conferring on all nationals of one of the Member States an additional set of rights to those attached to their own national citizenship. It is intended to help create amongst individual citizens a sense of belonging to the EU and having a genuine European identity, reflecting the core founding values of the EU: human dignity, freedom, democracy, equality, the rule of law and respect for human rights.

The Lisbon Treaty offers citizens and civil-society organisations for the first time a legal opportunity to influence, control, discuss and support EU measurements and policies. The Lisbon Treaty (entered into force on December 1, 2009) introduces fundamental changes in regard to the role of the citizen and civil-society organisations. Article 11 gives the EU institutions the obligation to “give citizens and representative associations the opportunity to make known and publicly exchange their views in all areas of Union action”

Furthermore citizens’ position is now legally fostered by the charter of fundamental rights.

Through this legal framework, the individual citizen of any member-state now has, whether he wants it or not, an additional legal identity next to the existing national one. The EU became a Union of Member States and citizens.

CITIZENSHIP – new political windows

Partly as a result of the disastrous outcome of the referendums in France, the Netherlands and Ireland, the attention of the Commission given to issues such as citizenship has increased, although the concept of cultural citizenship is scarcely out of the egg.

In the fore months of the Lisbon Treaty, governments of Member States had to deal with the question of how the role of citizens in the Treaty would have to be defined. (A new Commissioner for justice, fundamental rights and citizenship at the European Commission reflects the political agenda defined by Commission President Barroso’s 2020 agenda where he sets the reinforcement of EU citizenship and participation as one of the 5 priorities for the next Commission). Even if there is a legal framework that guarantees EU citizenship rights the Commission feels that there remains a gap between the applicable legal rules and the practical reality citizens are faced with in their daily life, in particular in cross-border situations.

If citizenship is to be taken seriously, one needs to form an opinion on the circumstances and processes in which citizenship is established. These are by definition cultural processes.

The next question then is: what is the role of culture in the political unification process in Europe and what is cultural citizenship exactly?

IDENTITY– a side-window connected

The recurring and always impassioned identity debate is proof that from a cultural perspective citizens are greatly involved on one point at least. There is no longer a way for either a national government or the European Union to impose a generally accepted definition of connectedness, of patriotism if you will, on its citizens. It seems the time of competition between the citizens of Member States based on national clichés is definitely over.

The logical consequence of this is a general feeling of unease. After all, everyone wants to belong to something somewhere. The increasing interest in religion, as well as for retrograde political movements, is proof of this. Whether we like it or not, we are living in the age of the citizen, the citizen on the way to a new balance with his or her surroundings and the state.

How is citizenship in a cultural sense (of participation in civil and expressive life) hampered by irrational notions of bureaucratic identity based on place of birth? Why do cultures have to be falsely aligned to one tier of governmental representation, the nation state, when individuals themselves operate on multiple levels – family, local, regional, national, continental and global? The concept of cultural citizenship based on multiple identities enables individuals to meet and interact, to bear responsibility for their civility, to offer each other work and prospects, to feel free affection, to become politically active and supportive at the same time. Most of all it allows the inevitable irritations of human contact not to escalate into generic antipathy; for people to always see each other as individuals, not as representatives of an abstract label which they mistrust.

CULTURE

The idea of culture playing a more prominent role in local, regional, national and European processes than before, found more and more acceptance.

By implementing the new rules of the game, the EU can no longer be seen as primarily an economic project. Inclusion of citizens’ aspirations in ALL fields of policy changes the paradigm from economic to cultural notions.

When citizens have common cultural aims, even if the cultures themselves are different, the decentralised cross-fertilising of ideas becomes a way for active citizens to develop a common Europe while keeping their own sense of who they are intact. By removing labels, except those individuals choose to express themselves, we remove the need for protection against outsiders who mean us no harm.

THE WORKING GROUP AUDIENCES PARTCIPATION

Everywhere in Europe the consciousness of the role of culture is present as proves the response of many gatherings in numerous places all over Europe and neighboring countries.

The consultation-process with ‘civil-society’ – semi unionist organisations (the European Agenda for Culture is a first step taken by the European Commission in the cultural field) but also and in the first place ‘individuals’ has to be introduced and developed. Going beyond this consultation habit of membership organisations, the working group will go into the exchange with individual citizens active in arts and cultural life.

The atelier series strives to be the beginning of involving individuals, from artists, to audiences and cultural initiatives in a debate to give input to an emerging concept of cultural citizenship and shape the discourse on a European level. Through the set up of ateliers in different cities in Europe, new ideas for local, regional and national governments as well as the European Parliament, the European Council and the Commission will be generated through the contribution of a list of speakers that concentrate on the future of citizens’ involvement and responsibility. Speakers for defining the cultural component of citizenship are from the cultural field.

Questions/briefing for sessions:

  • How do I define a cultural citizen? What is my personal responsibility?
  • What can cultural citizenship mean for my own daily work? For my organization?
  • What is the meaning of this work for the development of a cultural citizenship? And its responsibility? And what happens if this work is hindered?
  • What is the link with Europe?

Layers addressed:

  • Conceptual dimension of the notion of citizenship and its cultural component
  • Political dimension of the notion of citizenship and its cultural component
  • philosophical dimension of the notion of citizenship and its cultural component
  • juridical dimension of the notion of citizenship and its cultural component
  • practical dimension of the notion of citizenship and its cultural component

Terminologies to be defined

  • Participation in the perspective of a right to access culture
  • Participation as a basis for development of Citizenship
  • Citizenship in relation to Access
  • Cultural Citizenship
  • Citizenship as a right
  • Identity and citizenship

Concept by Steve Austen and Kathrin Deventer

Internationale erkenning voor MBA Cultuur, Erfgoed en Burgerschap

Na de officiële certificering van de deeltijdopleiding MBA Culture, Heritage & Citizenship (CHC) door de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), is er nu ook Europese bevestiging van de noodzaak van deze jonge masteropleiding. Een zestal Europese instellingen op het gebied van cultuur en hogeronderwijs hebben op initiatief van MBA CHC met succes een beroep gedaan op het Erasmus+ programma van de Europese Commissie om een gezamenlijk interdisciplinair Europees MBA CHC curriculum te ontwikkelen: MBA ECHC.

Erasmus+ prijst het initiatief als ‘uniek’ en ‘innovatief’: MBA ECHC biedt de mogelijkheid om met gerenommeerde internationale partners op Europees niveau kennis en ervaring te verzamelen en een belangrijke aanzet te geven voor een waarlijk Europees onderwijsprogramma, dat de vaardigheden en kennis uit de bedrijfskunde samenbrengt met die uit de kunst-, cultuur- en erfgoedsector. De Erasmus+ jury verwacht dat dit project ‘een belangrijke bijdrage gaat leveren aan de discussie over de relatie tussen erfgoed en EU burgerschap’ en daarmee de hele sector vooruit kan helpen.

Steve Austen ziet door deze Erasmus+ erkenning een impuls voor de internationale arbeidsmarkt voor culturele professionals: ‘Iedereen die zich realiseert dat de wereld van kunst- cultuur- en erfgoed steeds internationaler wordt en er nu al grote behoefte is aan all-round leidinggevenden, begrijpt dat de arbeidsmarkt voor mensen die kennis van culturele processen kunnen combineren met up-to-date zakelijk inzicht, schreeuwt om leidinggevenden met innovatieve inzichten.’

Actieve rol voor studenten

De huidige en komende lichting MBA CHC studenten in Nederland zullen hierbij actief participeren. Zo biedt MBA CHC een uitgelezen kans het eigen internationale netwerk optimaal te ontwikkelen en al tijdens de studie de internationale arbeidsmarkt te verkennen. MBA CHC en MBA ECHC hebben immers als doel de kwaliteit van het eindverantwoordelijk management in de brede internationale cultuur- en erfgoedsector te verbeteren. Austen: ‘Een erkende Europese Master in Business, Culture & Heritage geeft onmiddellijk toegang tot de markt van internationaal opererende organisaties in alle 28 lidstaten van de EU en daarbuiten. De ideale volgende stap in je carrière is een kwalitatieve uitbreiding van je netwerk en Europese ervaringen waar steeds meer vraag naar is.’

Alles is er op gericht vaardigheden en inzichten te ontwikkelen van reeds ervaren, leidinggevende professionals, consultants en ondernemers. Dit kan door eigen ervaring te combineren met een top MBA-opleiding toegespitst op de toenemende complexiteit van de vraagstukken in de culturele bedrijfstak.

Vierde lichting

De eerste intake en gesprekken voor de vierde lichting van het Nederlandse MBA CHC zijn reeds gehouden. Selectie houdt niet alleen rekening met vooropleiding en ervaring, maar ook met de toegevoegde waarde voor het (inter)nationale netwerk van studenten en docenten. De opleiding is opgezet door Amsterdam Summer University (AMSU) en The Netherlands Business Academy (NLBA) en is als gecertificeerde erfgoed-MBA deeltijdopleiding de enige in Europa.

Basis voor het netwerk

Deelnemers maken deel uit van een hoogwaardig kennisnetwerk dat, vooral ook na voltooiing van de opleiding, van onschatbare waarde zal zijn, zeker nu MBA CHC in Europees verband de eerste stappen zet. Gedurende het curriculum van twee jaar werken deelnemers en docenten in een relatief kleine groep samen en wordt de basis gelegd voor uitwisseling van kennis en participatie in netwerken en projecten, ook buiten het directe leermodel van de opleiding.

Het aantal gastdocenten bedraagt inmiddels een kleine dertig persoonlijkheden uit binnen- en buitenland. Daarvan hebben er vijftien het afgelopen cursusjaar een gastcollege gegeven.

Het oordeel van enkele deelnemers aan het MBA CHC

P.d.C., leidinggevende bij een middelgrote gemeente: “Culturele inhoud, managerial uitdagingen en fundamentele verdiepingsslag op zelfkennis op maat aangeboden; ik had deze studie graag eerder in mijn loopbaan willen volgen!”

J.B., directeur evenementen locatie/organisatie: “Deze master verschaft mij de broodnodige zakelijke basis om mijn ambities in de culturele en publieke sector waar te kunnen maken. Bovendien bieden de gastcolleges – door gerenommeerde cultureel ondernemers – veel verdieping, inspiratie en een fijne bijdrage aan mijn netwerk.”

A.v.K., leidinggevende bij gerenommeerde podiumorganisatie: “Deze opleiding zorgt voor de juiste verdieping en uitdaging. De combinatie met de zakelijke en algemene kanten van het bedrijfsleven in combinatie met cultureel ondernemen zorgt ervoor dat ik nu al het geleerde kan toepassen.”

Meer informatie via:

Menno Heling, menno@ifthenisnow.nl of 06-31974866

Initiatiefnemer van het MBA in Nederland Steve Austen is beschikbaar voor interviews. Maak een afspraak via steve@steveausten.nl

Ontsnapping uit het Land van Ooit

Wie de stand van het cultuurdebat wil afleiden uit de bewegingen en beweringen van de grote en sommige kleinere spelers in de subsidie-infrastructuur, kan niet anders dan uitgeput en in verwarring achterblijven. Één ding valt op: zowel OC&W als fondsen, Raad voor Cultuur, provincies, gemeenten, samenwerkende kunstbedrijven en cultuurwoordvoerders van politieke partijen; allen zijn ontevreden over de bestaande inrichting van het kunst- en cultuurbestel. Dat bestel, nog niet zo lang geleden ingevoerd, blijkt nu in de ogen van alle destijds betrokkenen voor drastische herziening vatbaar.

De vraag is of bijstelling, verandering of wellicht volledig nieuw optuigen van een advies-  en subsidiestelsel zin heeft  als er in brede kring geen overeenstemming bestaat over enige grondslagen van de plaats en rol van kunst in de samenleving. Zolang daar geen sprake van is kan niemand duidelijk maken waar die herziening dan wel uit zou moeten bestaan. Wat vooral opvalt is de gewenste instrumentalisering van het kunstbeleid door de  vele politieke, bestuurlijke en culturele belangengroepen, die elkaar tegenspreken en soms uitsluiten. Wie dit fenomeen ontwaart ziet zich onmiddellijk geconfronteerd met het legitimeringsvraagstuk: waarom is er eigenlijk subsidie en waaraan moet die worden besteed? Zolang het antwoord op die vraag uit de weg gegaan wordt, zal het kunstbeleid worden vormgegeven door alle mogelijke institutionele en toevallige factoren. Samenhang, waar alle bovengenoemde clubs voor pleiten, blijft dan een illusie.

Ik kan mij dan ook heel goed voorstellen dat de officiële Rijksadviseur op dit gebied, de Raad voor Cultuur, zich voor een vrijwel onmogelijke opgave gesteld ziet. De Raad zal zich dan ook noodgedwongen moeten beperken tot vooral technische en organisatorische aanbevelingen, voor de vorm voorzien van een cultuurpolitiek of kunstinhoudelijk sausje. Hoe zou je überhaupt zulke verschillende noties over uiteenlopende conceptuele en instrumentele kwesties in één, alles-en-iedereen-tevredenstellend plan kunnen onderbrengen? Laten we de meest in het oog springende buzzwoorden noemen: (nationale) identiteit, westerse cultuur, diversiteit, provinciale en gemeentelijke verantwoordelijkheid, publieksparticipatie, internationalisering , regionale spreiding, cultuurclusters, fusies en community-building, om van relaties met de creatieve industrie en de in snel tempo om zich heen grijpende social-designinterventies in bedrijfsleven en publieke sector nog maar te zwijgen.

Toch is er in mijn ogen wel een mogelijke uitweg uit dit dilemma. De Raad zou kunnen aansluiten op een bijna vergeten eigen advies uit 2007, dat merkwaardigerwijze nooit tot enig debat in de kunstwereld of de Kamer heeft geleid. In het advies Agenda cultuurbeleid & culturele basisinfrastructuur wordt de kunstwereld opgeroepen voortaan iets verder te kijken dan alleen het voortbestaan van de eigen instelling. Kennelijk is de Raad tot de slotsom gekomen dat kunstuitingen meer kunnen betekenen voor een samenleving dan het voorzien in een behoefte aan kunstgenot. De Raad introduceerde het begrip “cultureel burgerschap”. De Raad pleit ervoor meer aandacht te besteden aan de rol van het individu, de relatie tussen heden, verleden en toekomst, betekenisgeving en verdieping, en roept de kunstwereld op interdisciplinair, sectoroverschrijdend en internationaal te opereren. Dat zal moeten leiden tot meer allianties met andere partners in de samenleving: onderwijs, wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De Raad gaat er kennelijk vanuit dat de kunstwereld deel uitmaakt van de civil society en derhalve niet alleen verantwoordelijk is voor het eigen voortbestaan, maar ook aangesproken kan worden op de verbindingen die het kunstbedrijf met zijn omgeving aangaat.

Voorwaar een baanbrekend advies dat vervolgens oploste in het niets. Misschien was de Raad voor de afwisseling eens ‘te vroeg’; wellicht werd het advies selectief gelezen. Uit eigen waarneming bleek ook minister Plasterk desgevraagd niet te weten wat de Raad had geschreven, dus ook niet wat de door de Raad geïntroduceerde term ‘cultureel burgerschap‘, betekende. Jammer, niet eens zozeer omdat dit advies destijds geen rol van betekenis heeft gespeeld, maar toch vooral omdat het gezag van de Raad, door er op geen enkele wijze in de jaren daarna aan te refereren, ernstig is aangetast. Nota bene door eigen toedoen.

Een eenmaal door het Rijksadviesorgaan van de regering uitgebracht advies is daarmee een onderdeel geworden van de praktijk van het Openbaar Bestuur. Zolang een dergelijk advies niet is ingetrokken, blijft het logischerwijze geldig en kunnen instellingen zich erop beroepen, het is als het ware onderdeel geworden van de canon van het Nederlandse kunstbeleid. Nu kan het zijn dat men bij de Raad niet meer weet dat dit advies bestaat. Het leek mij, als burger en als liefhebber van het publieke debat en het Openbaar Bestuur, nuttig de onlangs aangetreden voorzitter van de Raad hierop te attenderen.

Ik hoop nu maar dat de Raad een helder besluit neemt, van tweeën één. Of het advies van destijds intrekken, of het gezien de huidige zoektocht naar legitimering van beleid en positionering van gesubsidieerde instellingen als aanzet nemen voor de context waarbinnen een voorstel voor een nieuw subsidiestelsel gestalte moet krijgen. Dat laatste lijkt mij niet bijster moeilijk. Soms kan kennis van het verleden helpen enige greep op de toekomst te krijgen.


Deze column verscheen eerder in MMNieuws/Special BMC Cultuurconferentie 2017. Lees het hele nummer!

Alle content © 2023 door Steve Austen